‘Nee hoor,’ snauwt Gerrit, terwijl hij zich houterig opricht. ‘Ik lig hier voor mijn plezier.’
‘Man, ik schrok me rot. Ik keek naar binnen en zag je daar liggen. Even dacht ik dat je dood was.’
‘Nu je zo ongevraagd mijn huis bent binnengedrongen, zou ik het bijna wensen,’ bromt hij.
‘Het geeft geen pas om zo over de dood te spreken, Gerrit Schreuder,’ zegt ze streng.
‘Ach mens, wat weet jij nou van doodgaan?’
‘Nou, het is hier warm genoeg. En nee, ik heb niet zo’n verlies meegemaakt als jij. Maar het is ruim een jaar geleden dat Geesje is overleden. Misschien wordt het tijd dat je weer licht toelaat in je leven.’
Gerrit snuift. ‘In elk vertrek ruik ik haar nog. Zelfs in de bezemkast. Dat moet zo blijven. Ik heb al moeite genoeg om haar stem niet te vergeten.’
Hij schuifelt langs de eettafel en ploft neer. ‘Jij steekt misschien bij anderen het licht aan, maar ik houd het liever donker. Dan zie je tenminste niet hoe stoffig het hier is.’
Els gaat tegenover hem zitten. Ze vouwt haar handen en kijkt hem scherp aan. ‘Ik kom niet om koffie te drinken, Gerrit. Ik wil weten hoe het echt met je gaat.’
‘Ik heb je ook geen koffie aangeboden.’
Gerrit schudt zijn hoofd. ‘Mooie woorden. Maar Geesje en ik waren één geheel. Haar dood voelt als een amputatie. De wond geneest misschien, maar de pijn blijft – als fantoompijn die alles overschreeuwt. Je leert lopen met een prothese, maar je wordt nooit meer wie je was. Ik zou wensen dat ik haar terug had. Zo. We zijn uitgesproken. Je kunt gaan!’
Els’ ogen vernauwen zich, haar lippen trillen even. ‘Gerrit, de wens dat ze terugkomt is behoorlijk egoïstisch. Wil je echt dat ze opnieuw door die pijn moet? Je sluit jezelf op in je verdriet en gooit de sleutel weg. Alsof alleen jouw pijn telt.’
Hij zwijgt, zijn schouders gespannen opgetrokken. Zijn blik vindt het dressoir, waar Geesjes portret hem aankijkt - haar lach ooit zo verzachtend, nu gevangen in vaal zwart-wit. Haar bijbeltje ligt ernaast, onaangeroerd sinds haar overlijden, met een vergeeld papieren kruisje ertussen.
Gerrit wringt zijn handen. Zijn keel voelt droog. ‘Ik heb gebeden tot mijn tong rauw was,’ zegt hij hees. ‘Zij bleef vertrouwen. En ik… ik vraag me af of God wel goed is. Want als Hij dit toeliet, is Hij niet goed - of Hij bestaat niet.’
Zijn woorden hangen zwaar in de kamer. Els staart een ogenblik stil voor zich uit. Dan zucht ze diep: ‘Ik was nog maar een kind. We kwamen hier wonen nadat mijn vader verongelukt was. Thuis deden we niets met geloof. Op school hoorde ik voor het eerst over God. Maar mijn hart bleef dicht - tot een meisje me meenam naar het Kerstfeest.’
Gerrit maakt een beweging, alsof hij haar wil onderbreken, maar haar blik - doordringend en kwetsbaar tegelijk - houdt hem gevangen.
Els' stem klinkt weemoedig: ‘Ze had blauwe ogen, rode wangen, klompen. In de kerk hoorde ik dat God mens werd. Dat Jezus kwam om het verlorene te zoeken. Dat meisje zorgde ervoor dat ik het Licht toeliet in mijn leven.’
Ze knikt naar het portret, haar hand even rustend op haar hals alsof ze moed zoekt. ‘Dat meisje was Geesje. En namens haar vraag ik je: ga je morgen mee naar het Kerstfeest?’
Gerrit zijn gezicht vertrekt van spanning. Met zijn hand slaat hij op tafel. ‘Wie denk jij wel dat je bent! Denk je dat je namens haar mag spreken? Ga weg. Nu!’
‘Jij denkt dat te weten, hè?’ snauwt hij.
Ze pakt het bijbeltje, schuift het voor hem. Haar vingers glijden kort over het bijbeltje. ‘Ik herken het kruisje met die tekst. Ze gaf het mij op mijn eerste Kerstfeest. Toen ze ziek werd, heb ik het haar teruggegeven.’
Hij weet niet hoe lang hij zo is blijven zitten. Maar zijn woede zakt en maakt plaats voor een rauw verdriet. Zijn blik dwaalt door de kamer. Alles ademt nog steeds Geesjes aanwezigheid - haar leunstoel, de plaid, het bijbeltje. Hij verbeeldt zich soms dat zelfs de geur van haar parfum nog in de lucht hangt.
Met trage bewegingen pakt Gerrit het bijbeltje op en trekt het kruisje eruit. Haar meisjeshandschrift: Johannes 11:35 - “Jezus weende.” Twee woorden... ze raken hem. God, die in Jezus komt in onze nacht van pijn en lijden. Die huilt met degenen die rouwen. Dus ook met hem …
Zijn adem stokt even, een diepe zucht ontsnapt. 'God heeft mij lief, Hij ziet mij en kent mij'. De woorden komen aarzelend, bijna fluisterend in zijn gedachten.
Na een lange, stille minuut staart Gerrit naar zijn telefoon. Zijn hand blijft halverwege hangen. Zijn keel trekt samen. Even zweeft zijn vinger boven het scherm, dan drukt hij toch op bellen.
Hij klinkt onzeker: ‘Met… Gerrit.’
Het blijft stil. Hij hoort zijn eigen ademhaling.
Gerrit hoort haar stem, warm, vol begrip: ‘Dat weet ik, Gerrit. Je hoeft het niet alleen te doen, hoor. Ik kom je morgen ophalen…’









